AVONDWAKE

bithand.jpg (1811 bytes)

OPENINGSZANG: 

 
PSALM 42: Ik smacht naar U, o God.
	V.		Zoals een hert naar water,
			zo smacht ik naar U, o God:
			U bent mijn leven.
	A.	Ik verlang naar U, o God.
		Wanneer mag ik bij U komen,
		wanneer zal ik weer voor U staan?
	V.		Dag en nacht huil ik,
			tranen zijn mijn enig voedsel,
			want steeds weer moet ik horen:
			"Waar is nu je God?"
	A.	Met weemoed denk ik terug
		aan de tocht naar de tempel,
		aan de menigte feestgangers,
		de juichkreten, de dankliederen.
	V.		Mijn ziel, wat drukt je terneer,
			waarom ben je zo onrustig?
			Op God wil ik vertrouwen,
			eens zal ik Hem weer prijzen,
			Hem, mijn behoud, mijn God.
	A.	Mijn ziel is bedrukt, Heer,
		daarom denk ik aan U,
		hier, ver van uw tempel,
		in het Hermongebergte,
		bij de berg Misar,
		hier, aan de bronnen van de Jordaan.
	V.		Om mij heen kolkt het water,
			oorverdovend stort het neer
			en roept nieuwe kolken op.
			U overspoelt mij, Heer,
			het water slaat over mij heen!
	A.	De Heer zal mij zijn liefde geven, elke
                dag,
		zijn lied zal ik horen, elke nacht,
		een gebed tot de God
		die mij in leven houdt.
	V.		Ik zal tegen Hem zeggen:
			"U bent mijn toevlucht.
			Waarom bent U mij vergeten,
			waarom ben ik in rouw gedompeld,
			door mijn vijanden gekweld?"
	A.	Spottend vragen ze de hele dag:
		"Waar is nu je God?"
		Het snijdt mij door de ziel.
	V.		Mijn ziel, wat drukt je terneer,
			waarom ben je zo onrustig?
			Op God wil ik vertrouwen,
			eens zal ik Hem weer prijzen,
			Hem, mijn behoud, mijn God.