Roept God een mens tot leven.
V. (A) Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
hij moet zichzelf prijsgeven,
hij leeft ten dode toe.
A. (A) Gods woord roept door de tijden
zijn volk en grijpt het aan.
Hij doet het uitgeleide,
het moet de zee ingaan.
V. (B) Geroepen en verzameld
uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water:
dat volk van God zijn wij.
A. (A) Wij werden nieuw geboren,
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.
V. (B) Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.
A. (A) Gestorven voor de zonde,
in Jezus' bloed vereend
en met elkaar verbonden,
levend voor God alleen.
V. (B) Wie Jezus' kelk wil drinken,
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.
A. (A) Hij zal zijn leven geven,
hij maakt zichzelf tot brood
hij sterft en and'ren leven,
hij overleeft de dood.
V. (B) Wie weerloos in de aarde
als graan gestorven is,
wordt tot het brood verzameld
dat aller leeftocht is.
A. (A) O Heer, Gij zult ons breken
en geven aan elkaar.
Uw tafel is het teken,
uw vrijmacht maakt het waar.