De onderstaande informatie is globaal. Lokale
gebruiken, maar ook als gevolg van stromingen, richtingen binnen de religie
kunnen bepaalde gebruiken afwijken van het hier beschrevene.
Achtergrond
De 'maksha' is voor Hindoes het moment in het bestaan van de mens.
Het is het moment van bevrijding uit de cyclus van geboorte, dood en wedergeboorte.
Maar voor die fase is bereikt kan het lichaam keer op keer sterven, maar
blijft de 'atman' (ziel) reïncarneren in opeenvolgende levens.
De gebruiken beginnen reeds bij het sterfproces
De familie komt bijeen en door de ontboden priester zal eerst met
behulp van gebed getracht worden de stervende te genezen. Tijdens het
gebed wordt allereerst een druppel Gangeswater toegediend. Het water symboliseert
het leven en de vergankelijkheid. Vervolgens wordt een blad van de tulsaboom
(een basilicumsoort) in de mond gelegd. Het blad houdt de ziektekiemen
op een afstand.
De Pandit (geestelijk leider) leest voor uit de Bhagavad Gita, het lied
des heren, waarna de familie meebidt.
Na het sterven wordt de overledene thuis opgebaard of overgebracht
naar het rouwcentrum.
Voor de familie breekt nu een periode van 10 dagen rouw aan. Allereerst
geeft de familie bekendheid aan het heengaan via rouwcirculaires in het
land en indien mogelijk de radio voor verre verwanten. Tijdens de bezoekuren
komt de familie bijeen met de Pandit en worden een aantal rituelen afgewerkt,
waarbij de teksten veelal voor de jongeren vertaalt wordt. Het wassen
en afleggen wordt meestal door familieleden uit andere huishoudens gedaan,
maar altijd in aanwezigheid van familieleden uit het huishouden van de
overledene.
Voorbereiding uitvaart
De overledene wordt na de wassing veelal in traditionele dracht aangekleed.
De vrouw in een sari en de man in dhoti en pagri. Binnenshuis of in het
uitvaartcentrum wordt rondom de kist gezeten en gebeden voor de zielerust.
De kist is dan veelal niet gesloten. De plechtigheden worden besloten
met rijstballetjes. Deze balletjes symboliseren de elementen waaruit het
lichaam is opgebouwd nl. ether, vuur, water, aarde en lucht. Daarnaast
wordt door de familie bloemen, reukwerk en rijstkorrels als offer in de
kist gelegd, waarna deze wordt gesloten. Dan kan de tocht naar het crematorium
beginnen.
De uitvaart in het crematorium
De crematie is voor de Hindoes de basis van het uitvaartritueel, immers
hoe sneller het lichaam vergaat des te sneller kan de ziel vrijkomen,
en kan het lichaam terugkeren naar de elementen waaruit het is opgebouwd.
De rituelen in het crematorium zijn veelal een symbolische afgeleide van
de 'gewone' rituelen bij de lijkverbranding. De kist wordt indien mogelijk
door 4 mannen op de schouders gedragen. Tijdens het dragen naar de aula
van het crematorium wordt de kist 5 maal neergezet en gaat de familie
(symbolisch) 5 maal zitten Dan wordt de kist in de aula geopend en versierd
met bloemenkransen. De Pandit houdt de voorgeschreven preek uit de Veda.
De oudste zoon loopt 5 maal rond de kist en raakt met een aangestoken
diya(lampje) wat gevuld is met ghee evenzoveel keren de lippen van de
dode aan, hetgeen een symbolisch aansteken van het vuur voorstelt. Dan
loopt de familie langs de kist en neemt afscheid door rijstkorrels of
bloemblaadjes in de kist te leggen, tot de kist zakt of wegglijdt. Een
aantal familieleden is met de Pandit ter overtuiging van de verbranding
bij de invoer van de kist in de crematieoven aanwezig. De familie volgt
hierna nog een bepaalde rouwprocedure die meestal 10 dagen duurt.
Ceremoniele gebruiken bij het overlijden en de uitvaart
Als de vader is overleden, maar het gebeurt veelal ook als de moeder
is overleden, scheren de zonen (en vader indien moeder is overleden) het
hoofdhaar (soms op een kort staartje na), snor en baard af.
Op de twaalfde of dertiende dag wordt een vuuroffer gehouden. Na de dertiende
dag vangt het gewone leven weer aan.
Indien mogelijk wordt de as overgebracht naar India en verstrooid in
de Ganges. De verstrooiing van de as gebeurt in Nederland echter veelal
op zee (deze staat wereldwijd gezien immers in contact met de Ganges)
in aanwezigheid van de familie.