HOOFDSTUK I
Van de ambtsbediening en het ressort der notarissen

Art. 1.

De notarissen zijn openbare ambtenaren, uitsluitend bevoegd, om authentieke akten te verlijden wegens alle handelingen, overeenkomsten en beschikkingen, waarvan de wet gebiedt of de belanghebbenden verlangen, dat bij authentiek geschrift blijken zal; het tijdstip van verlijden daarvan te verzekeren; de akten in bewaring te houden en daarvan grossen, afschriften en uittreksels uit te geven; alles voor zoover het verlijden dier akten door de wet niet ook aan andere ambtenaren opgedragen of aan dezelve geheel voorbehouden is.

Art. 2.

De notarissen worden door de Koning voor het leven benoemd. Bij het bereiken van de volle ouderdom van vijf en zestig jaren wordt hun door de Koning ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand.

Art. 3.

De notarissen oefenen hunne ambtsbediening uit in den geheelen omtrek van het arrondissement, waarin hunne standplaats is gevestigd.

De Koning bepaalt bij algemeenen maatregel van bestuur het maximum van het getal notarissen, welke voor ieder arrondissement kunnen worden aangesteld, des echter, dat hetzelve in geen arrondissement meer zal kunnen bedragen dan één notaris op de vier duizend zielen.

Art. 4.

Aan iederen notaris wordt bij het besluit zijner benoeming eene bepaalde standplaats aangewezen.

Met uitzondering van de steden, welke uit meer dan één kanton bestaan, worden deze standplaatsen zoodanig over het geheele arrondissement verdeeld, dat er ten minste twee notarissen in ieder kanton gevestigd zijn.

Met inachtneming van het bepaalde bij het vorige lid, kan de aangewezene standplaats door Onze Minister van Justitie, op verzoek van den notaris, binnen het arrondissement, waarin dezelve is gevestigd, worden veranderd.

Art. 5.

Ieder notaris is verpligt niet alleen zijne woonplaats te hebben, zijn kantoor te houden en zijne akten te bewaren in de hem aangewezene standplaats, maar ook om aldaar zijn werkelijk en gestadig verblijf te houden.

Bij overtreding hiervan, zal hij worden geschorst voor een tijd van ten hoogste zes maanden.

Om bijzondere redenen kan door Onze Minister van Justitie vergunning worden verleend om af te wijken van de voorschriften van het eerste lid in dier voege dat de notaris buiten de hem aangewezen standplaats zijn woonplaats mag hebben. In het desbetreffende besluit wordt de woonplaats aangewezen, worden de voorwaarden vermeld, waaronder de vergunning wordt verleend, en wordt een termijn gesteld. Onze Minister van Justitie kan de vergunning intrekken, indien niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden of een behoorlijke uitoefening van het ambt om andere redenen niet is verzekerd.

De notaris, die zich langer dan veertien dagen hetzij van zijn standplaats, hetzij van zijn woonplaats, hetzij van beide wil verwijderen, heeft daartoe verlof noodig van den voorzitter der Kamer van Toezigt, tot welker ressort zijne standplaats behoort.

Indien de notaris zonder bekomen verlof zich langer dan veertien dagen hetzij van zijn standplaats, hetzij van zijn woonplaats, hetzij van beide verwijdert of den hem verleenden verloftijd overschrijdt, wordt hij gestraft met eene boete van ten hoogste vijftig gulden voor iedere ingegane week, waarmede de afwezigheid den duur van veertien dagen of den bekomen verloftijd overschrijdt.

De notaris, die zonder het verlof in dit artikel bedoeld, of na het eindigen van den hem verleenden verloftijd, langer dan ééne maand, hetzij van zijn standplaats, hetzij van zijn woonplaats, hetzij van beide verwijderd blijft, wordt gestraft met ontzetting uit zijn ambt.

Overschrijding van den verleenden verloftijd wordt niet gestraft, indien blijkt, dat zij het gevolg is van onvoorziene dringende omstandigheden.

Bij het verleenen van verlof tot afwezigheid van de standplaats wordt door den voorzitter van den Kamer van Toezigt hetzij een ter plaatse bevoegd notaris, hetzij een candidaat-notaris uit het ressort dier Kamer als plaatsvervanger aangewezen.

De notaris kan bij zijne aanvrage om verlof een candidaat-notaris tot plaatsvervanger aanbevelen. Wordt de aanbevolene aangewezen, dan is de notaris, behoudens zijn verhaal op den plaatsvervanger, tegenover derden hoofdelijk met hem aansprakelijk.

Gedurende den verloftijd mag de vervangen notaris geene ambtsbediening uitoefenen; hij is echter steeds bevoegd aan den voorzitter der Kamer van Toezigt intrekking van het verlof te vragen. Na die intrekking, waarvan aan den plaatsvervanger wordt kennis gegeven, hervat de notaris zijne ambtsbediening en houdt de waarneming van den plaatsvervanger op.

Overschrijdt de notaris den bekomen verloftijd, dan blijft de aanwijzing van de plaatsvervanger gelden totdat zij door den voorzitter der Kamer van Toezigt zal zijn ingetrokken. In dat geval zal de vervangen notaris eerst na die intrekking zijne ambtsbediening hervatten; alles onverminderd hetgeen voor schorsing, ontzetting, ontslag en overlijden is bepaald, in welke gevallen de aangewezen plaatsvervanger voorloopig met de waarneming belast blijft.

Art. 6.

Buiten gegronde redenen, mogen de notarissen hunne dienst niet weigeren, wanneer zij tot het leenen daarvan worden verzocht.

Onvermogenden en minvermogenden

Zij zijn voorts verplicht om, op last van de voorzitter der rechtbank van het arrondissement in hetwelk zij hun bediening uitoefenen, hun dienst aan onvermogenden of minvermogenden kosteloos, onderscheidenlijk tegen tot de helft verminderd tarief te verlenen. Zodanige last wordt gegeven ten behoeve van personen die, onder overlegging van de verklaring of de bescheiden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, genoegzaam van hun on- of minvermogen om het honorarium te voldoen doen blijken. Artikel 25, tweede lid, tweede volzin van genoemde wet vindt overeenkomstige toepassing.

Voor verzoeken tot het geven van een last als in het tweede lid bedoeld is geen recht verschuldigd.

Art. 7.

Het is aan elken notaris verboden, buiten zijn ressort zijne ambtsbediening uit te oefenen.

Bij overtreding zal hij voor den tijd van ten minste drie en ten langste zes maanden in zijn ambt worden geschorst en zulks onverminderd zijne gehoudenheid tot schadevergoeding jegens de belanghebbenden.

Art. 8.

De notarissen mogen niet tevens zijn leden der regterlijke magt (de plaatsvervangende leden daaronder niet begrepen) noch ook de bediening uitoefenen van procureur, solliciteur of deurwaarder.

Zij mogen wijders niet zijn korpschefs van een politiekorps, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, noch hypotheekbewaarders, hoofden, secretarissen, ontvangers of thesauriers van eenig plaatselijk bestuur.

Het zal intusschen den Koning vrijstaan, aan de notarissen, om zeer bijzondere redenen, te vergunnen, met deze hunne betrekking die van hoofd secretaris, ontvanger of thesaurier van eenig plaatselijk bestuur uit te oefenen.

Ingeval van twijfel of eenige betrekking met het ambt van notaris bestaanbaar zij, zal zulks door den Koning worden beslist.

De bepalingen der voorgaande leden van dit artikel zijn niet van toepassing op den candidaat-notaris, met de tijdelijke waarneming van een kantoor belast.

Art. 9.

Een notaris, welke tot eene der met zijne bediening onvereenigbare betrekkingen wordt benoemd, en dezelve aanneemt, met uitzondering van het geval, dat hij voor die, bij het 3de lid van het vorige artikel vermeld, bijzondere vergunning des Konings mogt hebben verkregen, zal geacht worden van het notarisambt afstand te hebben gedaan, en op de gewone wijze worden vervangen.

Wanneer daarentegen iemand, eene der opgemelde betrekkingen bekleedende, tot notaris wordt benoemd, zal hij, door de aanneming van het notarisambt, zonder gelijke vergunning des Konings, met opzigt tot die betrekkingen, welke in het 3de lid van het vorige artikel zijn vermeld, geacht worden van zijne vroegere betrekkingen afstand te hebben gedaan.