| HOOFDSTUK II Van de vereischten om tot notaris benoemd te worden, en van de wijze van benoeming |
| Art. 10. Niemand is tot notaris benoembaar dan hij, die: 1º. Nederlander is in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten; 2º. de leeftijd van vijf en twintig jaren doch niet die van vijf en zestig jaren heeft bereikt; 3º. kandidaat-notaris is; 4º. nadat hij kandidaat-notaris is geworden, op een of meer notariskantoren een werktijd van drie jaren heeft volbracht. De bepaling van dit nummer blijft als vereiste voor de benoembaarheid buiten toepassing ten aanzien van een eervol ontslagen notaris of bij benoeming van een notaris op een andere standplaats. Art. 11-14. (Vervallen bij de wet van 30 oktober 1958, Stb. 494). Art. 15. De geboorte-akte, het getuigschrift van met goed gevolg afgelegd examen, de verklaring of verklaringen van den volbragten werktijd, afgegeven door den notaris of de notarissen, bij wie de belanghebbende is werkzaam geweest, en bevestigd door den Voorzitter der Kamer van Toezigt, tot welker ressort de standplaats van den notaris, die de verklaring afgeeft, behoort, en, indien de belanghebbende tijdelijk een notariskantoor heeft waargenomen, de verklaring of de verklaringen van den duur dier tijdelijke waarneming, afgegeven door den Voorzitter der Kamer van Toezigt, tot welker ressort de standplaats van den notaris, wiens kantoor is waargenomen, behoort, worden bij het verzoek om plaatsing aan den Koning overgelegd. Ingeval de notaris overleden is, of verhinderd of weigerachtig de vereischte verklaring af te geven, kan zulks geschieden door den Voorzitter der Kamer van Toezigt, tot welker ressort de standplaats van den overledene, verhinderden of weigerachtigen notaris behoort. Artt. 16, 17. (Vervallen bij de wet van 6 mei 1878, Stb. 29). Art. 18. De notarissen moeten, binnen twee maanden na de dagteekening van hunne benoeming, voor de arrondissements-regtbank, tot welker ressort hunne aangewezene standplaats behoort, ieder naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed (belofte) afleggen: ,,Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de grondwet, eerbied voor de regterlijke autoriteiten; - dat ik mijnen post met eerlijkheid, nauwkeurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten, op het notaris-ambt gemaakt of nog te maken, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen; dat ik de meest mogelijke geheimhouding omtrent den inhoud der akten, overeenkomstig de voorschriften der wet, zal in acht nemen; en dat ik voorts, middellijk noch onmiddellijk, onder eenigen naam of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.'' De Koning is bevoegd verlenging van den, tot het afleggen van den eed bepaalden termijn te verleenen. Bij verzuim van den voorgeschreven eed tijdig te doen, wordt de benoeming geacht vervallen te zijn, en wordt er tot eene andere benoeming overgegaan. Art. 19. Vóór hunne eeds-aflegging, mogen de benoemde notarissen geenerlei werkzaamheden verrigten, tot hunne ambtsbediening behoorende, op straffe bij het Wetboek van Strafregt hierop gesteld, onverminderd hunne gehoudenheid tot schadevergoeding jegens de belanghebbenden. Art. 20. Binnen veertien dagen na de eeds-aflegging, moeten zij, het zij zelven, het zij door eenen schriftelijk gemagtigde, hunne handteekening en paraaph nederleggen ter griffie der regtbank van het arrondissement, waartoe hunne standplaats behoort, en zulks op straffe van tien gulden boete voor iederen dag verzuim. |