HOOFDSTUK II A
Van de candidaat-notarissen en de plaatsvervanging

Art. 20a.

Kandidaat-notaris is hij, die het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen op grond van het afsluitend examen van een opleiding gericht op het notarisambt of met goed gevolg het examen heeft afgelegd, bedoeld in de artikelen 11 tot en met 14 van deze wet, zoals deze artikelen luidden voordat zij vervallen werden verklaard. Kandidaat-notaris is tevens hij die in het bezit is van een ten aanzien van het beroep van kandidaat-notaris afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

Art. 20b.

De candidaat-notaris, die eene betrekking ten kantore van een notaris heeft aanvaard, geeft hiervan, onder overlegging van het getuigschrift van het door hem afgelegd examen, kennis aan de Kamer van Toezigt, tot welker ressort de standplaats van den notaris behoort.

Deze kennisgeving, voor ,,gezien'' geteekend door den notaris, te wiens kantore de candidaat-notaris werkzaam is, houdt in:

1º. jaar, dag en plaats van geboorte van den candidaat-notaris;

2º. de voornamen, den naam en de standplaats van den notaris te wiens kantore en het tijdvak gedurende hetwelk de candidaat-notaris het laatst werkzaam was, of de verklaring, dat hij als candidaat-notaris nog niet op een notariskantoor werkzaam was.

De werktijd, vereischt om tot notaris benoembaar te zijn, wordt berekend van den dag, waarop de in dit artikel genoemde kennisgeving voor de eerste maal bij de Kamer van Toezigt is ingekomen.

Van de ontvangst dier kennisgeving wordt den notaris, te wiens kantore de candidaat-notaris werkzaam is, en den candidaat-notaris door den voorzitter der Kamer van Toezigt een bewijs gezonden.

Het door den candidaat-notaris overgelegd getuigschrift van het door hem afgelegd examen wordt, voor ,,gezien'' geteekend door den voorzitter der Kamer van Toezigt, aan den candidaat-notaris teruggezonden.

Art. 20c.

Binnen ééne week nadat een candidaat-notaris zijne betrekking ten kantore van een notaris heeft verlaten, geeft de laatste, op straffe van eene geldboete van ten hoogste tien gulden voor iedere ingegane week verzuim, hiervan schriftelijk kennis aan de Kamer van Toezigt, tot welker ressort zijne standplaats behoort.

Art. 20d.

Een candidaat-notaris, voldoende aan de vereischten voor de benoembaarheid tot notaris gesteld, geeft, zoo hij zich voor eene tijdelijke waarneming van een notariskantoor beschikbaar stelt, daarvan, onder overlegging der stukken, waaruit zijne benoembaarheid blijkt, kennis aan de Kamer van Toezigt met opgave of hij zich in het algemeen of slechts voor bepaalde door hem aan te geven gevallen en kantoren beschikbaar stelt.

Tot de waarneming aangewezen is hij, behoudens in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Kamer van Toezigt, verpligt aan de opdragt gevolg te geven.

Art. 20e.

Een candidaat-notaris, tot eene waarneming aangewezen, heeft, zoolang hij daarmede belast blijft, de aan den notaris toegekende regten en bevoegdheden is, voor zoover daarop geene uitzondering is gemaakt, onderworpen aan de verpligtingen, de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van dien ambtenaar. De voorschriften betrekkelijk akten door eenen notaris verleden, gelden ook ten aanzien van akten verleden door eenen candidaat-notaris-plaatsvervanger.

Ook de strafbepalingen, in deze en andere wetten ten aanzien van notarissen voorkomende, zijn, tenzij het tegendeel is bepaald, op hem van toepassing.

De hem verleende opdragt kan door de Kamer van Toezigt worden ingetrokken, zoo hij zich schuldig maakt aan gedragingen, handelingen of verzuimen, die ten aanzien van een notaris aanleiding kunnen geven tot berisping, schorsing of ontzetting.

Art. 20f.

De candidaat-notaris-plaatsvervanger vermeldt in de door hem te verlijden akten, op straffe eener boete van ten hoogste tien gulden, naast zijne hoedanigheid van plaatsvervanger, de voornamen, den naam en de standplaats van den notaris, wiens kantoor hij waarneemt.

Hij gebruikt het ambtszegel van dien notaris.

Het loopende repertorium en register zet hij voort, tenzij de voorzitter der Kamer van Toezigt hem het aanleggen van nieuwe toestaat.

In het laatste geval is, voor zooveel hem betreft, artikel 48 dezer wet slechts ten aanzien van het nieuwe repertorium van toepassing.

De door hem verleden akten worden opgenomen in het protocol van den notaris, wiens kantoor hij waarneemt.

Art. 20g.

De candidaat-notaris, voor de eerste maal met eene waarneming belast, legt, vóór de aanvaarding daarvan en binnen ééne week na de dagteekening der hem verleende opdragt, voor de regtbank van het arrondissement, tot welker ressort het waargenomen kantoor behoort, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed (belofte) af:

,,Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de regterlijke autoriteiten; dat ik de betrekking van plaatsvervangend notaris met eerlijkheid, nauwkeurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten op het notarisambt gemaakt of nog te maken, met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen; en dat ik de meest mogelijke geheimhouding omtrent den inhoud der akten, overeenkomstig de voorschriften der wet, zal inachtnemen.''

Art. 20h.

Binnen ééne week na de eeds-aflegging legt de candidaat-notaris-plaatsvervanger, hetzij in persoon, hetzij door een schriftelijk gemagtigde, zijne handteekening en paraaph neder ter griffie der regtbank van het arrondissement, tot welker ressort het waargenomen kantoor behoort, en zulks op straffe van ten hoogste tien gulden boete voor iederen dag verzuim.

Wordt een candidaat-notaris aangewezen tot waarneming van een kantoor binnen het ressort van eene andere regtbank dan van die, ter griffie waarvan zijne handteekening en paraaph zijn nedergelegd, zoo geschiedt, op straffe van gelijke boete, voorschreven nederlegging ter griffie dier regtbank binnen eene week na de dagteekening der hem verleende opdragt.