HOOFDSTUK VI
|
| Art. 73. Behalve in de gevallen, waarin zulks uitdrukkelijk bij deze wet is bepaald, kunnen de notarissen, indien daartoe termen bestaan, tot schadevergoeding jegens de belanghebbenden worden veroordeeld, indien de akten, voor hen verleden, uit hoofde van gebrek in den vorm in rechte nietig worden geacht of geoordeeld worden authenticiteit te missen, en verder in alle gevallen, waarin een verpligting bestaat tot schadevergoeding. Art. 73a. De notarissen zijn verplicht een deugdelijke administratie te voeren en van hun vermogenstoestand en van alles wat hun werkkring betreft een zodanige boekhouding bij te houden, dat daaruit te allen tijde hun rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld. Zij zijn gehouden inzage van hun administratie en boekhouding te geven en alle gevraagde gegevens en inlichtingen dienaangaande te verstrekken aan de Kamers van Toezicht en aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen personen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het toezicht op de nakoming van het eerste lid. De kosten van dit toezicht komen ten laste van de notarissen overeenkomstig bij die algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Art. 73b. Het is den notarissen niet geoorloofd direct of indirect: 1º. gelden ter leen of in bewaring te nemen tegen interest, met uitzondering van gelden redelijkerwijs benoodigd, hetzij voor persoonlijke doeleinden, hetzij voor of in verband met de uitoefening hunner ambtsbediening; 2º. zich borg te stellen of in te staan voor schulden van anderen. Art. 73c. De notaris, die eene der bepalingen der twee voorgaande artikelen overtreedt, wordt geacht zijne ambtsplichten te verwaarloozen. Art. 73d. Het is aan de leden en plaatsvervangende leden en aan den secretaris der Kamer van Toezigt, zoomede aan de ambtelijke- of niet-ambtelijke personen, aangewezen ingevolge het tweede lid van artikel 73a, verboden hetgeen hun bij de uitvoering der wet of in verband daarmede blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan voor die uitvoering noodig is. Art. 73e. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 7, 42, 44, 48, derde lid, en 50d. Art. 73f. Onder repertorium wordt verstaan het repertorium, bedoeld in artikel 7 van de Registratiewet 1970. Art. 74. Tot tijd en wijle het bij artikel 60 der Wet vermelde tarief zal zijn vastgesteld en in werking gebragt, zullen de notarissen hun honorarium op den thans bestaanden voet blijven berekenen en hunne declaratiën zullen, in geval van verschil daarover, door den voorzitter der regtbank van het arrondissement, waarin hunne standplaats is gevestigd, worden getaxeerd. Voor werkzaamheden in boedels, waarbij minderjarigen, onder curatele gestelden, beneficiaire of afwezige erfgenamen belang hebben, of van hen, welke in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen zijn verklaard, alsmede in vacante boedels, zal deze taxatie altijd moeten plaats hebben. Art. 75. Al de vóór het in werking brengen dezer wet aangestelde notarissen, zullen hunne bediening, op den bij deze wet bepaalden voet, blijven uitoefenen in de geheele uitgestrektheid van het arrondissement, waarin hunne standplaats gevestigd is. De zoodanigen, die met hun ambt bedieningen, welke daarmede, volgens artikel 8 dezer wet, onbestaanbaar zijn, vereenigen, zullen dezelve kunnen blijven bekleeden. Art. 76. De alzoo in hunne bediening bevestigde notarissen moeten binnen den tijd van ééne maand na het in werking brengen dezer wet, op de straf bij artikel 18 derzelve bepaald, voor de arrondissements-regtbank, tot welker ressort hunne standplaats behoort, ieder naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed (belofte) afleggen: ,,Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de grondwet, eerbied voor de regterlijke autoriteiten; dat ik mijnen post met eerlijkheid, naauwkeurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten op het notaris-ambt gemaakt of nog te maken, met de meeste naauwgezetheid zal opvolgen; en dat ik de meest mogelijke geheimhouding omtrent den inhoud der akten, overeenkomstig de voorschriften der wet, zal in acht nemen''. De Koning is bevoegd verlenging van den tot het afleggen van den eed bepaalden termijn te verleenen. Binnen denzelfden termijn zullen zij moeten voldoen aan het voorschrift van artikel 20 dezer wet, op de boete daarbij bepaald, mitsgaders zich aanschaffen, en na verloop van denzelven, bedienen van het zegel, in artikel 45 van dezelve vermeld. Art. 77. Zij, die den ouderdom van drie en twintig jaren bereikt hebbende, vóór den eersten Januarij 1842, van eene der kamers van notarissen hebben verkregen het certificaat, vermeld in artikel 43 der wet van 25 Ventôse, jaar XI, worden, des verkiezende, van het afleggen van verder examen vrijgesteld, en zijn bevoegd om tot notaris te worden benoemd in het arrondissement, waarin die kamer was gevestigd, mits zij bij het verzoek, daartoe strekkende, tevens overleggen de bewijzen van volbragten leertijd, bij die wet voor eene benoeming tot notaris van den tweeden rang gevorderd. Art. 78. De Koning is bevoegd om daar, waar het thans in een arrondissement aanwezige getal notarissen het maximum, bij artikel 3 van deze wet bepaald, mogt overschrijden, de door overlijden, ontslag, verplaatsing of afzetting opengevallen plaatsen door nieuwe benoemingen aan te vullen, tot dat het thans aldaar bestaande getal tot het bepaalde maximum zal zijn teruggebragt, door telken reize van twee ontstane vacatures slechts ééne te vervullen. Art. 79. De archieven van de tengevolge der invoering dezer wet afgeschaft wordende kamers van notarissen, zullen door den laatst als secretaris gefungeerd hebbenden notaris, binnen drie maanden na het in werking brengen dezer wet, worden overgebracht naar de volgens artikel 69 voor ieder arrondissement opgerigte algemeene bewaarplaats der minuten, op eene boete van tien gulden voor iedere ingegane week verzuim, zijnde het laatste gedeelte van artikel 66 ook op deze overbrenging van toepassing. Aan den in ieder arrondissement met de bewaring der minuten belasten notaris, wordt ten aanzien van de alzoo in de bewaarplaats overgebragte stukken gelijke bevoegdheid verleend, als aan hem, bij artikel 69, ten aanzien van de onder zijne bewaring overgebrachte minuten, is toegekend. Art. 80. Het tijdstip, waarop de tegenwoordige wet zal aanvangen te werken, wordt door den Koning vastgesteld, en houden alsdan op van eenige kracht te zijn de wet van den 25sten Ventôse, jaar XI, het arrêté van den 2den Nivôse, jaar XII en alle andere wetsbepalingen en verordeningen, betreffende het notaris-ambt. Art. 81. De wet van den 22sten Pluviôse, jaar VII en al de daarmede in verband staande verordeningen, blijven in stand. |